Image

DE BERG IS VOORAL BEKEND VAN WIELERETAPPES IN ONDER ANDERE DE RONDE VAN FRANKRIJK.

De beklimming vanuit Bédoin is erg zwaar door de lengte van de klim (21,4 km), het gemiddelde stijgingspercentage (7,5 %) en de zomerse temperaturen in Zuid-Frankrijk. In totaal zijn er drie beklimmingen met een racefiets mogelijk (een zuidelijke beklimming vanuit Bédoin, noordelijk vanuit Malaucène en vanuit het oosten vanuit Sault). De klim werd de wielrenner Tom Simpson in 1967 fataal door een combinatie van amfetamine, alcohol en de hitte. Drie jaar later had Eddy Merckx, op weg naar een zege, nog de tegenwoordigheid van geest om zijn petje af te nemen bij het passeren van het monument dat ter nagedachtenis aan Simpson is neergezet.

Na de finish zou Merckx alsnog zijn bezweken, maar in latere jaren beweerde Merckx dat hij dit speelde om onder de grote media-aandacht uit te komen. In de Ronde van Frankrijk 2000 schonk de veel sterkere Lance Armstrong de zege op de Ventoux aan de Italiaanse klimmer Marco Pantani. Hij betuigde al een dag later spijt van dit cadeau. In 2016 stond een rit met aankomst op de top van de Mont Ventoux gepland, maar op de dag voor de etappe werd de aankomst wegens de slechte weersverwachtingen verplaatst naar Chalet Reynard op de zuidoostelijke bergflank.

Ook in Parijs-Nice en het Critérium du Dauphiné wordt de Mont Ventoux regelmatig in het schema opgenomen. De recentste winnaars waren Cadel Evans (in Parijs-Nice 2008) en Sylwester Szmyd (Dauphiné Libéré 2009). De recordtijd voor de klim staat op naam van de Spanjaard Iban Mayo. Hij realiseerde in het jaar 2004 tijdens de Dauphiné Libéré een beklimming in 55 minuten en 51 seconden. De Spanjaard verbrak daarmee het vijf jaar oude record van Jonathan Vaughters met 59 seconden. Hiervoor was het record met 1 uur 2 minuten en 9 seconden al 41 jaar lang in handen van Charly Gaul.

De Mont Ventoux wordt in de zomer vooral bezocht door toeristen die de berg beklimmen, voornamelijk met de fiets. De Nederlandse dichter Jan Kal wijdde een van zijn bekendste sonnetten aan de Mont Ventoux en Tom Simpson.

Het grote hoogteverschil tussen de top van de Mont Ventoux en het omliggende gebied én de overwegend west-oostverlopende richting van het Ventouxmassief veroorzaakt een grote verscheidenheid in de klimatologische omstandigheden.

De zuidwestzijde van het massief (grenzend aan de vlakte van Bédoin) kent tot ongeveer 1000 meter hoogte een uitgesproken mediterraan klimaat. De oostzijde is meer blootgesteld aan storingen en heeft daarom een kouder en vochtiger klimaat. Het massief zelf is verantwoordelijk voor een krachtige opwaartse beweging van de luchtmassa, waardoor de neerslaghoeveelheden aanzienlijk zijn. Gemiddeld zijn er per jaar 90 regendagen. Bij Chalet-Reynard, een uitspanning op 1417m hoogte waar de wegen van Bedoin en Sault naar de top samenkomen, is de gemiddelde jaarlijkse neerslag 1130 mm, op de top is dat 1220 mm. De neerslag is onregelmatig over het jaar gespreid met een hogere intensiteit in de herfst en het einde van de lente. Heftige wolkbreuken van 100 mm in één uur zijn geen uitzondering.

In de zomer schommelen de temperaturen in de zones hoger dan 1000 meter tussen 10° en 18°C. Gemiddeld 100 dagen per jaar is de top van de berg gehuld in mist of laaghangende bewolking. In de winter is de top bedekt met sneeuw (gemiddeld 50 dagen per jaar) en de temperatuur kan dalen tot −27°C.

Wind is onverbrekelijk verbonden met de Mont Ventoux. Met name de mistral (relatief koud en droog) kan zorgen voor plotselinge temperatuurdalingen. In het landschap rondom de Mont Ventoux is goed te zien hoe groot de invloed van deze krachtige noordenwind is. Hagen van populieren en cipressen dwars op de overheersende windrichting en zo klein mogelijke openingen in de noordwanden van agrarische gebouwen.

In de loop der eeuwen is de vegetatie van het bergmassief aan veranderingen onderhevig geweest. Met name in de 19e eeuw viel de Mont Ventoux ten prooi aan grootschalige ontbossing. In 1836 was het gebergte nagenoeg ontbost. In 1861 begon de herbebossing van de zuidhellingen en vanaf 1888 die van de noordhellingen. Later is het gehele massief weer bebost op de kale top na. Door de hoogteverschillen en de bijbehorende variaties in het microklimaat is de verscheidenheid aan bomen groot. Van de loofbomen vindt men er de zachte eik, de steeneik en de beuk. Van de naaldbomen zijn onder andere de zeeden (typisch voor een mediterraan klimaat) aanwezig, naast de Atlasceder. Bomen die veel wind kunnen verdragen zoals de Oostenrijkse den of de bergden zijn goed aangepast aan de ruige weersomstandigheden op het bergmassief.

Ook van de bloemen kan worden gezegd dat de variatie in soorten is aangepast aan de microklimatologische omstandigheden. Naast mediterrane soorten op de lagere zuidelijke hellingen, vindt men alpiene soorten zoals de alpenanemoon, de alpenleeuwenbek en de gele gentiaan. Daarnaast is de kruisdistel een bekende verschijning op de kale rotsachtige hellingen. Op de wat rijkere kalkrijke bodems groeit de Turkse lelie. De steenbreek groeit in rotsspleten.

 

Image